Erratum en verbeteringen Amicitia, Seneca en Cicero over vriendschap

ERRATUM
Als auteurs van de eindexamenbundel Amicitia, Seneca en Cicero over vriendschap van Hermaion zijn wij dankbaar voor de feedback die wij van veel kanten hebben mogen ontvangen. Zo zijn er (afgezien van enkele duidelijke typefouten) helaas enkele storende fouten blijven staan. Hieronder staan de belangrijkste verbeteringen.

Hoofdstuk 3

p. 40
quidni … t/m … attolli (r. 2-3). De werkvertaling in het docentenboek is verwarrend. Dit moet zijn: ‘Waarom zou ik niet veel hebben wat geordend moet worden, wat verzwakt (moet worden), wat bevorderd (moet worden)’
p. 41
Vraag 1: de antwoorden in het docentenboek op b en c horen niet bij de vraag. Het antwoord op vraag b moet zijn: hiermee benadrukt Seneca het feit dat hij nog veel werk aan zichzelf heeft.

p. 43
Vraag 5: het antwoord moet zijn: Ware vrienden steunen elkaar, juist bij ongeluk.

p. 80
In hoofdstuk 3: Seneca, een Stoïcijn in Rome p. 80 moet de laatste zin (“De in het gedicht genoemde … t/m … hebben verloren.”) worden geschrapt. De genoemde Quinctilius zal een verder onbekende schrijver zijn geweest, vriend van Vergilius, Horatius en Maecenas.

p. 86
In hoofdstuk 3: Seneca, een Stoïcijn in Rome p. 86 moeten de regelnummers waarnaar verwezen wordt in vraag 28a zijn: 67-72 (en dus niet: 8-12).

Hoofdstuk 4

p. 115
In hoofdstuk 4: Aristoteles’ Ethica Nicomachea p. 115 is een passage uitgevallen, op het eind van de vertaalde tekst:

Deze vriendschap is dus compleet, zowel wat betreft de tijd als wat betreft de rest [namelijk het goede en het plezier]; en in elk opzicht krijgt elk van de beide vrienden van de ander precies hetzelfde of iets vergelijkbaars, wat natuurlijk het geval moet zijn bij vrienden. Vriendschap

40        gebaseerd op wat aangenaam is, vertoont een gelijkenis met deze, want de goede mensen zijn ook aangenaam voor elkaar. Ook vriendschap gebaseerd op nut is vergelijkbaar, want de goede mensen zijn ook nuttig voor elkaar. Vooral bij hen houden vriendschappen vooral stand, wanneer beiden hetzelfde van de ander verkrijgen – bijvoorbeeld plezier – en niet zomaar, maar juist wanneer het van hetzelfde soort is, zoals bijvoorbeeld bij zij die geestig zijn, en niet zoals in het

45        geval van minnaar en geliefde. Want minnaar en geliefde genieten niet van dezelfde dingen; de minnaar is geniet door de geliefde te zien, de geliefde door aandacht te krijgen van zijn minnaar. En soms, wanneer de bloei van de jeugd eindigt, eindigt ook de vriendschap (omdat voor de een de aanblik van de ander niet meer prettig is, en voor de ander de aandacht er niet meer is). Velen blijven echter vrienden, wanneer ze als gevolg van hun samenleven, elkaars karakter

50        hebben leren waarderen, en ze van hetzelfde karakter zijn. Maar wanneer ze in de liefde niet zozeer genot bij elkaar zoeken, maar eerder nut, zijn en blijven ze in mindere mate vrienden. En degenen die vrienden zijn vanwege nut, gaan uit elkaar tegelijker met het ophouden van het nut, want ze waren geen vrienden van elkaar, maar van het voordeel.

In het geval van plezier en nut is het dus mogelijk voor slechte mensen om vrienden met elkaar

55        te zijn en voor de fatsoenlijke om vrienden te zijn met de slechte, evenals voor degenen die geen van beiden zijn, zijn om vrienden te zijn met welke soort dan ook. Toch is het duidelijk dat alleen de goeden vrienden kunnen zijn vanwege wie ze zelf zijn. Want de slechte mensen, vinden geen vreugde in elkaar, tenzij ze er enig voordeel uit halen. Bovendien, alleen de vriendschap van de goeden is veilig tegen laster, want het is niet gemakkelijk iemand te geloven als het gaat

60        om laster over iemand die al lange tijd door jezelf op de proef is gesteld; en bij deze mensen vindt men uitspraken als “Ik vertrouw hem”, “hij zou nooit onrecht plegen”; en al die andere dingen die bij ware vriendschap worden verwacht. In het geval van de andere soorten vriendschappen is er niets dat voorkomt dat zulke slechte dingen voorkomen.

Aangezien mensen anderen ook ‘vrienden’ noemen die dat zijn vanwege het nut (zoals ook

65        bondgenootschappen tussen steden ontstaan omwille van wat voordelig is), en hen die dat zijn vanwege het plezier (zoals bij jongeren), zouden wij misschien moeten erkennen dat dit soort mensen vrienden zijn, en dat er meer dan één vorm van vriendschap bestaat; eerst en vooral de vriendschap van goede mensen, juist omdat ze goed zijn, terwijl de overige vriendschappen dat zijn door gelijkenis. Want voor zover er iets goeds is en zekere mate van gelijkheid, zijn ze

70        vrienden. En wat aangenaam is, is inderdaad goed voor wie van genot houdt. Maar deze soorten vriendschap gaan niet vaak samen, en degenen die vrienden worden vanwege het nut en vanwege genot zijn niet dezelfde mensen, want bijkomstige zaken gaan niet vaak samen.

Aangezien dit de vormen zijn waarin vriendschap is verdeeld, zullen onfatsoenlijke mensen vrienden zijn vanwege wat prettig of nuttig voor hen is, omdat ze in dat opzicht gelijk zijn aan

75        elkaar, terwijl goede mensen vrienden zullen zijn vanwege wie ze zelf zijn, namelijk dat ze goed zijn. De laatstgenoemden zijn dus simpelweg vrienden, terwijl eerstgenoemden vrienden zijn door bijkomstigheden en doordat ze daarin gelijk zijn.

Hoofdstuk 5

p. 118
Laatste zin: ‘negen volkstribunen’ lees: ‘tien volkstribunen’

p. 119
‘vanuit Klein-Azië’ lees: ‘vanuit Capua’

p. 120
Tweede regel: ‘volkstribunaat afgeschaft’ lees: ‘de macht van het volkstribunaat sterk ingeperkt’

p. 121
Tweede alinea: ‘boezemvriend’ lees: ‘vertrouweling’.

p. 123
Tweede alinea: ‘enkele grote veldslagen’ lees: ‘een grote veldslag’

p. 155
Regel 32: ‘hogergeplaatsten’ lees: ‘lagergeplaatsten’

 

Download als Word bestand